Bedieningsinstructies |
Algemene informatie
• Neem bij het werken met een accu altijd de waarschuwingen en veiligheidsvoorschriften in acht!
• Vul de accu met de meegeleverde zuurcontainer.
Let op:
Een verstopte ventilatieopening kan leiden tot schade aan de accu en zuurschade aan het voertuig!n!
Ventilatie met behulp van een ventilatiebuis:
De ventilatieopening aan de zijkant van de batterij is gesloten voor transport en opslag als deze leeg is.
• Als de ventilatieopening is afgesloten met een afdichtslang: Verwijder deze slang (1. Ventilatieopening blootleggen) en vervang de slang door een afvoerslang. Als de auto al is uitgerust met een lange afvoerslang: Sluit deze aan op de nieuwe accu. Als de oude ontluchtingsslang niet meer in goede staat is, vervang deze dan door de slang die bij de nieuwe accu is geleverd. Knik of knijp de ontluchtingsslang niet!
• Als de ventilatieopening is afgesloten met een plug: Verwijder deze plug met geschikt gereedschap. Monteer vervolgens een elleboogstekker waarop de ventilatieslang is aangesloten.
Ventilatie via celdoppen:
• Als de doppen van de accucellen ventilatieopeningen hebben, kunnen deze zijn afgedicht met plakband of iets dergelijks. Deze ventilatieopeningen kunnen worden geopend door het plakband of iets dergelijks te verwijderen.
Gevulde accu:
• Een met zuur gevulde accu is klaar voor gebruik.
• Controleer de accuspanning met een geschikt meetapparaat. Als de accuspanning lager is dan 12,4 V, moet de accu worden opgeladen zoals uitgelegd in punt 4.
Ongevulde accu:
Vul de accu voor installatie. Zorg voor voldoende ventilatie als u in een gesloten ruimte aan de accu werkt.
• Kantel de accu 15 minuten na het vullen een paar keer voorzichtig. Herhaal dit na ongeveer twee uur opladen (zie punt 3). Vul de cellen indien nodig bij met zuur tot de markering “Max”.
• Veeg eventuele zure spatten onmiddellijk weg met een vochtige antistatische doek.
Accu’s kunnen tijdens opslag lading verliezen. Daarom raden we aan om elke batterij volledig op te laden voor installatie om optimale prestaties te garanderen.
• De temperatuur van de accu en het accuzuur moet bij voorkeur hoger zijn dan 10 °C.
• Installeer deze accu alleen in het voertuig op de door de fabrikant aangegeven plaats. Zorg altijd voor voldoende ventilatie van de accu. Volg de instructies van de voertuigfabrikant.
• Voeg deze instructies toe aan de gebruiksaanwijzing van het voertuig.
3.1 De batterij verwijderen en installeren
Als u niet zeker bent van de juiste procedure voor het verwijderen/installeren van de batterij, neem dan contact op met een gekwalificeerde werkplaats.
Verwijderen:
• Schakel voor het plaatsen de motor en alle elektrische verbruikers uit.
• Leg het verwijderingsgebied van de accu bloot.
• Maak altijd eerst de minpool los en daarna de pluspool.
Installatie:
• Het installatiegebied van de accu vrijmaken.
• Kortsluiting vermijden, bijvoorbeeld door gebruik van gereedschap.
• Sluit eerst de pluspool en dan de minpool aan. Zorg ervoor dat de klemmen stevig vastzitten.
• Breng andere onderdelen, zoals de aansluitdop, de bevestigingsbeugel, de slangaansluitingen en de aansluithouder (indien aanwezig) over van de oude naar de nieuwe accu.
• Zorg er altijd voor dat de accu voldoende wordt geventileerd! Een geblokkeerde ventilatieopening kan leiden tot schade aan de accu en zuurschade aan het voertuig! (Zie ook punt 1, Inbedrijfstelling.) Dit geldt ook voor het transport van de oude accu.
• Als de accu een sensorkabel heeft, moet deze worden aangesloten volgens de specificaties van de voertuigfabrikant. Als er een sensorkabel aanwezig is, maar het voertuig is niet voorzien van een aansluiting, strip dan het kabeleinde met isolatie- of plakband en bevestig de kabel vervolgens met plakband aan de accubehuizing.
3.2 Opslag en transport
• Bewaar batterijen alleen op koele, droge plaatsen.
• Bescherm accu’s tegen direct zonlicht.
• Bescherm de pluspool tegen kortsluiting (aansluitdop aanbrengen of isoleren met plakband).
• Bewaar gevulde accu’s alleen verticaal en bescherm ze tegen omvallen, zodat er geen zuur kan ontsnappen.
• Vervoer gevulde accu’s alleen verticaal en bescherm ze tegen omvallen, zodat er geen zuur kan ontsnappen.
• Controleer regelmatig de acculading. Laad indien nodig bij (zie punt 4).
3.3 Onderhoud
• Houd de batterij schoon en droog.
• Reinig de polen en het oppervlak van de batterij alleen met een vochtige antistatische doek. Anders bestaat er explosiegevaar.
• Draai de klemmen goed vast.
• Controleer het zuurniveau regelmatig. Vul indien nodig de accucellen bij met gedemineraliseerd water. (Als het waterverbruik te hoog is, controleer dan de dynamo of generator).
• Als de startstroom te laag is, moet de accu worden opgeladen (zie punt 4).
• Als de accu gedurende langere tijd niet wordt gebruikt (bijv. in de winter), is het van essentieel belang om de lading op peil te houden met een ladingbehoudsysteem. Verwijder de accu voorzichtig voor het opladen.
• Gebruik alleen geschikte laders en neem de gebruiksaanwijzing van de lader in acht.
• Laad geen bevroren accu’s of accu’s met een temperatuur boven 45 °C op.
• Sluit de pluspool (+) van de accu aan op de pluspool van de acculader en de minpool (-) van de accu op de minpool van de acculader.
• Schakel de acculader pas in nadat de accu is aangesloten.
• Als het opladen is voltooid, schakelt u eerst de oplader uit en koppelt u vervolgens de aansluitingen los.
• Onderbreek het opladen onmiddellijk als de accu heet wordt of zuur lekt.
• Verwijder de accu uit het voertuig (zie hoofdstuk 3.1).
• Verwijder de doppen van de accucellen en zorg voor voldoende ventilatie op de werkplek.
• Zorg voor goede ventilatie bij het opladen in gesloten ruimten.
• Laat de accu na het opladen ongeveer twee uur rusten. Controleer vervolgens het zuurniveau. Vul indien nodig de accucellen bij met gedemineraliseerd water. Sluit de accucellen voorzichtig af met de doppen. Veeg eventuele zure spatten onmiddellijk weg met een vochtige antistatische doek.
| A. Ventilatieopening vrijmaken Verwijder de ventilatieafsluitdop aan de zijkant van de batterij vóór het vullen. |
|
| B. Voorbereiden van de batterij Verwijder alle doppen aan de bovenkant van de batterij door te draaien of te trekken. |
|
| C. Zuurfles openen Open de zuurfles door het ventiel ervan af te snijden. Let op: verwijder het ventiel van de zuurfles niet te dicht boven de fles, omdat de vulslang er anders niet op kan worden geplaatst. We raden aan om ten minste 10 mm over te laten. |
|
| D. Vulslang plaatsen Plaats de meegeleverde vulslang stevig op het ventiel van de zuurfles. |
|
| E. Vullen van de batterij met zuur Vul de batterij langzaam met het zuur. Let er op dat alle cellen afzonderlijk en gelijkmatig worden gevuld tot aan de markering »max«. De hoeveelheid zuur in de fles is hiervoor juist voldoende. |
|
| F. Recyclen van de zuurfles Volledig lege zuurflessen zijn geschikt voor recycling. Informeer bij uw plaatselijke recyclingbedrijf en houd u aan hun voorschriften. |
|
| G. Sluiten van de batterij met de doppen Sluit de batterij na het vullen weer volledig af met de in stap 2 verwijderde doppen. Plaats de ventilatieafsluitdop aan de zijkant van de batterij NIET opnieuw. |
|
|
Aanwijzingen |
|
|
Veiligheidsbril |
|
|
Kinderen |
|
|
Vuur, vlammen en roken verboden: |
|
|
Explosiegevaar |
|
|
Gevaar voor verbrandingen: |
|
|
Oude batterij inleveren: |
|
|
EHBO: |
|
|
Waarschuwing: |