Bedieningsinstructies |
Algemeen:
• Let bij het werken met een batterij altijd goed op de waarschuwingen en veiligheidsvoorschriften!
• Vul de batterij met verdund zwavelzuur (37%, ofwel SG 1.28).
Let op:
Een gesloten ventilatieopening kan ervoor zorgen dat de batterij kapot gaat en uw voertuig door
zuur wordt aangetast!
Ventilatie door middel van een ventilatieslang:
De ventilatieopening aan de zijkant van de batterij is voor het transport en de opslag in
ongevulde toestand gesloten.
• Als de ventilatieopening is afgesloten met een afsluitslang: verwijder deze slang (1. ventilatieopening vrijmaken) en vervang de slang door een afvoerslang. Als het voertuig al is uitgerust met een lange afvoerslang: sluit deze aan op de nieuwe batterij. Vervang de oude ventilatieslang door de slang die met de batterij werd meegeleverd als de oude slang niet meer in een goede toestand verkeert. Knik of verdruk de ventilatieslang niet!
• Als de ventilatieopening is afgesloten met een afsluitdop: verwijder deze dop met passend gereedschap. Plaats er daarna een hoekstuk met een ventilatieslang op.
Ventilatie door middel van de afsluitdoppen:
• Als de batterij over ventilatieopeningen in de afsluitdoppen beschikt, is het mogelijk dat deze zijn afgesloten met plakband, stickers of een kleefstrip. Verwijder de plakband, stickers of kleefstrip om de ventilatieopeningen te openen.
Gevulde batterij:
• Een met zuur gevulde batterij is klaar voor gebruik.
• Controleer de spanning van de batterij met een passend meetapparaat. Laad de batterij bij volgens punt 3 als de spanning lager is dan 12,4 volt.
Ongevulde batterij:
Vul de batterij vóór het monteren. Zorg bij het werken met de batterij voor voldoende ventilatie
van de ruimte.
• Kantel een gevulde batterij 15 minuten na het vullen enkele keren licht. Doe hetzelfde na ongeveer twee uur laden (zie punt 3.) Vul Indien nodig zuur bij tot aan de markering »max«.
• Haal zuurdruppels weg met een vochtige, antistatische doek.
Accu’s kunnen tijdens opslag lading verliezen. Daarom raden we aan om elke batterij volledig op te laden voor installatie om optimale prestaties te garanderen.
• De temperatuur van de accu en het accuzuur moet bij voorkeur hoger zijn dan 10 °C.
• Installeer deze accu alleen in het voertuig op de door de fabrikant aangegeven plaats. Zorg altijd voor voldoende ventilatie van de accu. Volg de instructies van de voertuigfabrikant.
• Voeg deze instructies toe aan de gebruiksaanwijzing van het voertuig.
3.1 De batterij verwijderen en installeren
Als u niet zeker bent van de juiste procedure voor het verwijderen/installeren van de batterij, neem dan contact op met een gekwalificeerde werkplaats.
Verwijderen:
• Schakel voor het plaatsen de motor en alle elektrische verbruikers uit.
• Leg het verwijderingsgebied van de accu bloot.
• Maak altijd eerst de minpool los en daarna de pluspool.
Installatie:
• Het installatiegebied van de accu vrijmaken.
• Kortsluiting vermijden, bijvoorbeeld door gebruik van gereedschap.
• Sluit eerst de pluspool en dan de minpool aan. Zorg ervoor dat de klemmen stevig vastzitten.
• Breng andere onderdelen zoals de aansluitdop, de houder, de slangaansluitingen en de aansluitbeugel (indien aanwezig) van de oude accu over naar de nieuwe.
3.2 Opslag en transport
• Bewaar batterijen alleen op koele, droge plaatsen.
• Bescherm accu’s tegen direct zonlicht.
• Bescherm de pluspool tegen kortsluiting (aansluitdop aanbrengen of isoleren met plakband).
• Bewaar gevulde accu’s alleen verticaal en bescherm ze tegen omvallen, zodat er geen zuur kan ontsnappen.
• Transporteer accu’s alleen verticaal en bescherm ze tegen omvallen.
• Controleer regelmatig de lading van de accu. Laad indien nodig bij (zie punt 4).
3.3 Onderhoud
• Houd de batterij schoon en droog.
• Reinig de polen en het oppervlak van de batterij alleen met een vochtige antistatische doek. Anders bestaat er explosiegevaar.
• Draai de polen goed vast.
• Verzegelde accu’s zijn onderhoudsvrij - bijvullen met water is niet nodig. Open de accu daarom nooit meer.
• Als de startstroom te laag is, moet de accu worden opgeladen (zie punt 4).
• Als de accu langere tijd niet wordt gebruikt (bijv. in de winter), is het essentieel om de lading op peil te houden met een ladingbehoudsysteem. Verwijder de accu voorzichtig voor het opladen.
• Gebruik alleen geschikte laders en neem de gebruiksaanwijzing van de lader in acht.
• Laad geen bevroren accu’s of accu’s met een temperatuur boven 45 °C op.
• Sluit de pluspool (+) van de accu aan op de pluspool van de acculader en de minpool (-) van de accu op de minpool van de acculader.
• Schakel de acculader pas in nadat de accu is aangesloten.
• Als het opladen is voltooid, schakelt u eerst de oplader uit en koppelt u vervolgens de aansluitingen los.
• Onderbreek het opladen onmiddellijk als de accu heet wordt of zuur lekt.
• Verwijder de accu uit het voertuig (zie paragraaf 3.1).
• Zorg voor goede ventilatie bij het opladen in gesloten ruimten.
|
Aanwijzingen
|
|
|
Veiligheidsbril
|
|
|
Kinderen
|
|
|
Vuur, vlammen en roken verboden |
|
|
Explosiegevaar |
|
|
Gevaar voor verbrandingen |
|
|
Oude batterij inleveren |
|
|
EHBO |
|
|
Waarschuwing |